“De wetenschap laat ons opnieuw kennismaken met dieren.”
Dat zijn de woorden van Jan Staman, die in 1975 afstudeerde als dierenarts. Het was een andere tijd. Dieren werden “afgemaakt” of “gedood”, niet “geëuthanaseerd” of “ingeslapen”. We gingen praktischer om met dieren. Ze waren nuttig. Soms ook leuk om bij te zijn. Maar van Joep van ’t Hek weten we allemaal: Flappie belandde met kerst gewoon op het bord.
De afgelopen decennia is er veel veranderd. Er is veel onderzoek gedaan naar dieren. Naar gezondheid, welzijn, naar wat een leven de moeite waard maakt. Positieve emoties ervaren is tegenwoordig zelfs wettelijk verankerd.
Door de wetenschap leren we dieren op een andere manier kennen. We leren hun emoties beter begrijpen. Hun kwetsbaarheid. Hun kracht. De relatie tussen mens en dier is verschoven. Dieren zijn niet langer alleen functioneel of economisch waardevol. Het zijn wezens met wie we een relatie aangaan. Van wie we houden. Die ons herkennen. Die reageren.
En toch zie je dat diezelfde wetenschap, en alles wat we inmiddels weten, soms ook wordt genegeerd. Of op z’n minst niet volledig wordt meegenomen in de praktijk.
Binnen delen van de paardensector weten we al lang dat paarden socialer en stabieler functioneren in contact met soortgenoten. We weten dat hun spijsvertering is afgestemd op vrijwel continu ruwvoer. We weten dat beweging geen luxe is, maar een basisbehoefte. Dat rollen, rennen, spelen en interactie geen “extraatjes” zijn, maar onderdeel van welzijn. Dat paarden 3 uur per 24 uur slapen, en een nacht van 8-10 uur op stal heel lang is voor een paard.
En toch veranderen we vaak maar langzaam.
Waarom houden we zo vast aan bestaande systemen? Waarom voelt verandering soms als kritiek?
Misschien raakt het ons als mens het meest wanneer we het gevoel krijgen dat we iets niet goed doen. Zeker als het gaat over iets waar we zielsveel van houden. En de meeste paardeneigenaren houden zielsveel van hun paard. Dat maakt het kwetsbaar.
Als iemand suggereert dat iets anders misschien beter kan, voelt dat al snel als een aanval. Dan schieten we in de verdediging. We gaan discussiëren. We verharden. En voor we het weten ontstaat er verdeeldheid. Terwijl we in de kern hetzelfde willen: een goed leven voor onze paarden.
Daarom vind ik die woorden van Jan zo mooi. Het gaat niet om goed of fout. Het gaat om opnieuw kennismaken.
Opnieuw kijken naar het dier. Nieuwsgierig durven zijn. Kleine signalen opmerken. Misschien eens kijken bij iemand die het anders doet. Oprecht luisteren, niet om te overtuigen of te winnen, maar om te begrijpen.
En vooral: luisteren naar het dier zelf. En naar wat onderzoek ons inmiddels laat zien.
Als we opnieuw kennismaken met het paard, wie ontmoeten we dan eigenlijk? En wat heeft dat paard écht nodig?
